Friends of Tibet South Africa
Teken de petitie
Schande over zuid afrika:
Zuid Afrika heeft de toelating van De Dalai lama tot het land ontzegt,
De geestelijke leider van de Tibetanen zou er volgende week in Johannesburg, een vredesconferntie bijwonen.
Pretoria heeft zijn visum geweigerd onder druk van china
Nelson Mandela en Aartsbisschop Desmond Tutu, die de Dalai lama uitnodigde, zijn zo verontwaardigd over de weigering dat zij dreigen zelf weg te blijven van de conferentie
uit "De Morgen" 23/03/09
Dai Bing, ministerial counsellor at the Chinese embassy in Pretoria, said his government had appealed to the South African government not to allow the Dalai Lama into the country, warning that if it did so, it would harm bilateral relations.
Bron: www.iol.co.za
10 maart verklaring Dalai Lama



Verklaring van Zijne Heiligheid de Dalai Lama ter Gelegenheid van de Vijftigste Herdenkingsdag Van de Tibetaanse Nationale Volksopstand op 10 maart 2009.

Op 10 maart j.l. werd de vijftigste van de vreedzame opstand van het Tibetaanse volk tegen de onderdrukking door Communistisch China in Tibet herdacht .
Sinds maart vorig jaar zijn over heel Tibet verspreid vreedzame protesten uitgebroken. De meeste van de demonstranten waren jongeren die geboren en opgegroeid zijn na 1959 en die nooit een vrij Tibet hebben gezien of meegemaakt.
Het feit echter dat ze gedreven werden door een sterke overtuiging om de Tibetaanse zaak te dienen, die al van generatie op generatie voortduurt, is een kwestie van trots.
Het fungeert al bron van inspiratie binnen de internationale gemeenschap die een levendige belangstelling voor de Tibetaanse zaak heeft

Wij betuigen onze eer en geven onze gebeden aan allen die sinds het begin van onze strijd gestorven zijn, gemarteld werden, en vreselijke ontberingen hebben moeten doorstaan voor de Tibetaanse zaak, ook voor hen die tijdens de crisis van vorig jaar het leven lieten.
Rond 1949 begonnen Communistische strijdkrachten met het binnenvallen van Noordoost en Oost Tibet (Kham en Amdo) en tegen 1950 waren er meer dan 5.000 Tibetaanse soldaten gedood.
Met oog voor de bestaande situatie koos de Chinese regering een beleid van vreedzame bevrijding, dat in 1951 leidde tot de ondertekening van “de 17-Punten Overeenkomst” en de annexatie. Sindsdien staat Tibet onder de controle van de Volksrepubliek China. De “17-Punten Overeenkomst” vermeldt echter duidelijk dat de buitengewone religie, cultuur en traditionele waarden van Tibet beschermd zouden worden.

Tussen 1954 en 1955 had ik in Peking ontmoetingen met de meeste van de hooggeplaatste Chinese leiders in de Communistische Partij, de regering en het leger, geleid door voorzitter Mao Zedong.
Toen we manieren bespraken om de sociale en economische ontwikkeling van Tibet tot stand te brengen, en daarnaast de religieuze en culturele erfenis van Tibet te behouden, stemden Mao Zedong en alle andere leiders er mee in om een voorbereidend comité in te stellen om de weg vrij te maken voor de invoering van de autonome regio, zoals bepaald in de Overeenkomst, in plaats van een militaire administratieve commissie in te stellen.

Vanaf ongeveer 1956 veranderde de situatie ten kwade door het opleggen van een ultralinks beleid in Tibet. Als gevolg daarvan werden de eerder gemaakte afspraken, die door de hogere autoriteiten waren afgegeven, in werkelijkheid niet geïmplementeerd.
De met geweld ingevoerde zogenoemde ”democratische hervormingen” in de Tibetaanse regio’s Kham en Amdo, die niet in overeenstemming waren met de omstandigheden op dat moment, resulteerden in immense chaos en vernietiging.
In Centraal Tibet hebben Chinese functionarissen met geweld en met opzet de voorwaarden van “de 17-Punten Overeenkomst” geschonden en hun hardhandige tactieken namen met de dag toe.

Deze uitzichtloze ontwikkelingen lieten het Tibetaanse volk geen alternatief dan op 10 maart 1959 met een vreedzame opstand te beginnen.
De Chinese autoriteiten antwoordden met ongekend geweld, dat in de daaropvolgende maanden leidde tot het doden, arresteren en gevangenzetten van tienduizenden Tibetanen.

Daardoor ontsnapte ik in ballingschap naar India, begeleid door een kleine groep Tibetaanse regeringsfunctionarissen inclusief enkele Kalons (Ministers uit het Kabinet).
Daarna vluchtten bijna honderdduizend Tibetanen in ballingschap naar India, Nepal en Bhutan. Tijdens de vlucht en in de maanden die volgden, kregen zij te maken met onvoorstelbare ontberingen, die nog altijd vers in het Tibetaanse geheugen gegrift staan.

Na Tibet te hebben bezet, voerde de Chinese Communistische regering een reeks repressieve en gewelddadige campagnes uit, waaronder ‘democratische hervormingen’, klassenstrijd, collectivisering, de Culturele Revolutie, de invoering van een staat van beleg, en meer recentelijk de patriottische heropvoeding en ‘strike-hard’-campagnes. Deze drongen de Tibetanen in zulk diep lijden en in zulke ontberingen dat zij letterlijk de hel op aarde ondervonden.
Het directe resultaat van deze campagnes was de dood van honderdduizenden Tibetanen. De opeenvolging van Boeddha’s Dharma werd verbroken.
Duizenden religieuze en culturele centra, zoals kloosters, nonnenkloosters en tempels werden tot op de grond toe vernietigd. Historische gebouwen en monumenten werden vernield. Natuurlijke grondstoffen werden zonder uitzondering geëxploiteerd.

Tegenwoordig is Tibets fragiele milieu vervuild, zijn er op grote schaal ontbossingen uitgevoerd en wordt het wildleven, zoals de wilde yak en de Tibetaanse antilope, met uitsterven bedreigd. Deze vijftig jaren hebben onnoemelijk leed en vernietiging toegebracht aan het land en het volk van Tibet.
Zelfs vandaag de dag leven Tibetanen in constante angst en blijven de Chinese autoriteiten hen voortdurend wantrouwen.
De religie, cultuur, taal en identiteit, die opeenvolgende generaties Tibetanen waardevoller beschouwden dan hun eigen levens, worden tegenwoordig met uitsterven bedreigd; kort gezegd worden de Tibetanen gezien als criminelen die het verdienen om gedood te worden.

De tragedie van het Tibetaanse volk werd in 1962 uiteengezet in de aan de Chinese regering gerichte 70.000-karakter petitie van de Panchen Lama.
Kort voor zijn dood bracht hij de petitie opnieuw naar voren tijdens zijn toespraak in Shigatse in 1989, toen hij zei dat we onder Chinees communistisch
bestuur veel meer hebben verloren dan gewonnen.

Veel bezorgde en onbevooroordeelde Tibetanen hebben zich eveneens uitgesproken over de ontberingen van het Tibetaanse volk. Zelfs Hu Yaobang, de Communistische Partijsecretaris, erkende deze fouten duidelijk toen hij in 1980 in Lhasa arriveerde en hij de Tibetanen om vergeving vroeg.
Veel ontwikkelingen op het gebied van infrastructuur, zoals wegen, vliegvelden, spoorlijnen, enzovoort, die schijnbaar vooruitgang hebben gebracht in de Tibetaanse gebieden, werden in werkelijkheid uitgevoerd met als politiek doel de ver-Chinezing van Tibet en hebben geleid tot een enorme vernietiging van het Tibetaanse milieu en de Tibetaanse manier van leven.

Wij als Tibetaanse vluchtelingen zijn succesvol geweest om ons in ballingschap opnieuw te vestigen. Dit ondanks het feit dat we in eerste instantie met veel problemen te maken hadden, zoals grote verschillen in klimaat en taal en de problemen om in ons levensonderhoud te kunnen voorzien. Door de enorme vrijgevigheid van onze gastlanden, vooral India, konden Tibetanen zonder angst in vrijheid leven.
We waren in staat om in ons levensonderhoud te voorzien en onze religie en cultuur te behouden. Wij konden voor onze kinderen zowel traditioneel als modern onderwijs verzorgen en konden hen betrekken bij inspanningen om de Tibetaanse zaak op te lossen.


Er zijn ook andere positieve resultaten geweest. Een groter begrip van het Tibetaanse boeddhisme, met haar nadruk op mededogen, heeft een positieve bijdrage geleverd in veel delen van de wereld.

Onmiddellijk na onze aankomst in ballingschap ben ik in 1960 begonnen te werken aan het bevorderen van democratie binnen de Tibetaanse gemeenschap door het oprichten van het Tibetaanse Parlement in Ballingschap. Sindsdien hebben we geleidelijke stappen gezet naar democratie en vandaag de dag is ons bestuur in ballingschap ontwikkeld tot een volledig functionerende democratie met een eigen geschreven handvest en een wetgevend orgaan. Dit is iets waar we allen trots op kunnen zijn.

Sinds 2001 hebben we een systeem ingevoerd waarbij het politieke leiderschap van Tibetaanse ballingen direct gekozen wordt door middel van procedures die gelijk zijn aan deze in andere democratische systemen. Momenteel is de tweede periode van de direct gekozen Kalon Tripa (Voorzitter van het Kabinet)
aan de gang.

Als gevolg hiervan zijn mijn dagelijkse regeringsverantwoordelijkheden afgenomen en ben ik nu voor de helft met pensioen. Het werk voor de rechtvaardige Tibetaanse zaak is echter de verantwoordelijkheid van iedere Tibetaan, en zolang ik leef zal ik deze verantwoordelijkheid dragen.
Als mens is mijn belangrijkste verplichting het bevorderen van de menselijke waarden, dit is wat ik beschouw als de sleutelfactor voor een gelukkig leven op het niveau van het individu, de familie en de gemeenschap.
Als een godsdienstbeoefenaar is mijn tweede verplichting de bevordering van interreligieuze harmonie. Mijn derde verplichting is natuurlijk de Tibetaanse zaak. Dit is in eerste instantie een gevolg van het feit dat ik een Tibetaan ben met de naam ‘Dalai Lama’, maar belangrijker is dat het een gevolg is van het vertrouwen dat Tibetanen zowel binnen als buiten Tibet in mij gesteld hebben. Dit zijn de drie belangrijke verplichtingen die ik altijd in gedachten houd.

Naast het zorgen voor het welzijn van de Tibetaanse gemeenschap in ballingschap, iets wat ze goed hebben gedaan, is het de belangrijkste taak van de Centrale Tibetaanse Regering geweest om te werken naar een oplossing voor de Tibetaanse zaak.

Nadat we in 1974 de voor beide partijen nuttige “Middle way approach” hadden ontworpen, waren we klaar om te reageren op Deng Xiaoping toen hij in 1979 gesprekken voorstelde.
Er werden vele gesprekken gevoerd en er werden onderzoeksdelegaties uitgezonden. Deze brachten echter geen concrete resultaten en de formele contacten werden uiteindelijk in 1993 afgebroken.

In 1996 en 1997 voerden we vervolgens een opiniepeiling uit onder de Tibetanen in ballingschap, en verzamelden waar mogelijk suggesties uit Tibet,
over een voorgesteld referendum waarmee het Tibetaanse volk naar volledige tevredenheid de toekomstige koers van onze vrijheidsstrijd kon bepalen.
Gebaseerd op de uitkomst van het referendum en de suggesties uit Tibet besloten we de “Middle way approach” voort te zetten. Sinds de opnieuw tot stand gekomen contacten in 2002 hebben we een beleid gevolgd van één officieel kanaal en één agenda en hebben wij acht gespreksrondes gevoerd met de Chinese autoriteiten.

Als gevolg hierop hebben we een “Memorandum over Ware Autonomie voor het Tibetaanse Volk” gepresenteerd. Dit memorandum legt uit hoe aan de voorwaarden voor nationale regionale autonomie, zoals in de Chinese grondwet uiteengezet wordt, tegemoet kan worden gekomen, door de volledige invoering van haar wetten over autonomie.
Dat de Chinezen nog altijd beweren dat we moeten accepteren dat Tibet sinds de oudheid deel van China heeft uitgemaakt, is niet alleen onwaar, maar ook onredelijk.

We kunnen het verleden niet veranderen of het nu goed of slecht was. Het verdraaien van de geschiedenis voor politieke doeleinden is incorrect.
We moeten naar de toekomst kijken en daarin investeren is in ons wederzijds belang. Wij Tibetanen zoeken naar een legitieme en betekenisvolle autonomie, een regeling die Tibetanen in staat stelt om binnen het kader van de Volksrepubliek China te leven.
Het vervullen van de aspiraties van het Tibetaanse volk zal China in staat stellen om stabiliteit en eenheid te realiseren. Van onze kant maken we geen aanspraken gebaseerd op de geschiedenis.

De geschiedenis leert ons dat het territorium van geen enkel land in de wereld, inclusief China, waarvan de territoriale status altijd onveranderd is gebleven, onveranderd zal blijven.
Onze aspiratie dat alle Tibetanen samengebracht worden onder één enkel autonoom bestuur valt geheel binnen de doelstelling van het principe van nationale regionale autonomie. Het vervult ook de fundamentele behoeften van het Tibetaanse en Chinese volk. De Chinese grondwet en andere gerelateerde wetten en reguleringen vormen geen enkel obstakel hiervoor en veel leiders van de Chinese Centrale Overheid hebben deze ware aspiraties geaccepteerd.

Toen Premier Zhou Enlai de “17-Punten Overeenkomst” ondertekende, erkende hij dat dit een redelijk verzoek was, maar niet het juiste moment om het in te voeren. Toen in 1956 het Voorbereidend Comité voor de ‘Tibetaanse Autonome Regio’ werd ingesteld, wees Vicepremier Chen Yi op een kaart en zei hij dat indien Lhasa tot hoofdstad van de Tibetaanse Autonome Regio gemaakt zou kunnen worden, inclusief van de Tibetaanse gebieden binnen de andere provincies, het zou bijdragen aan de ontwikkeling van Tibet en de vriendschap tussen de Tibetaanse en Chinese nationaliteiten.


De Dalai Lama
10 maart 2009